Print deze pagina

Archeologisch onderzoek van een uitzonderlijke prehistorische vindplaats in Bazel

Update september 2011: De opgravingen zijn beëindigd sinds eind augustus. De werken om de sluis in te bouwen in de dijk moesten hervat worden. Gedurende de laatste weken zijn nog een aantal interessante zaken gevonden! De archeologen zijn dichter tegen de bestaande Scheldedijk beginnen graven en vonden er wat eens de oever van de vroegere Schelde zou zijn geweest. Oever is veel gezegd, want blijkbaar was de Schelde op dat moment een veel kleinere rivier in een veel grotere bedding dan nu. De vondsten van menselijke bewoning situeren zich op een zandrug, ietwat boven het toenmalig niveau van het water. Aan die toenmalige lagergelegen oever zijn nu 2 omgevallen en versteende bomen gevonden. Tussen en rond de bomen werden allerhande botresten, waaronder een mooie intacte onderkaak van een wild of reeds half gedomesticeerd zwijn gevonden. Ook wervels van geiten en/of schapen zijn gevonden. Menselijke resten zijn er niet gevonden.
Ondertussen gaat het onderzoek van alle vondsten verder in het laboratorium en zou volgend voorjaar het rapport ervan gepubliceerd worden.

Bovenaan op de foto: De 1ste opgavingssite (ovaal vlak) daaronder de uitwateringssluis en vlak ertegen onderaan de 2de opgravingssite met rechts de plaats waar de versteende bomen liggen. – Foto: D. Sterckx Eén van de 2 versteende bomen

 

 

Voorjaar 2011: Bij de controle van de graafwerken in het kader van de aanleg van één van de sluizen (Bazel, sluis 5) in het ‘Gecontroleerd Overstromingsgebied’ (GOG) Kruibeke – Bazel – Rupelmonde troffen de mensen van de Archeologische Dienst Waasland (ADW) uitzonderlijke prehistorische vindplaats aan. Inspectie van het noord- en zuidprofiel maakte duidelijk dat de sluisput gelegen was aan de rand van de Laatglaciale voorloper van de Schelde. In deze oeverzone bevonden zich een groot aantal prehistorische artefacten: verschillende fragmenten bot, aardewerk, bewerkte vuursteen evenals verkoolde plantenresten. Deze vondsten wezen overduidelijk op de aanwezigheid van een prehistorische vindplaats. De kenmerken van het aardewerk en het vuursteen deden vermoeden dat we hier te maken hadden met een mogelijke nederzetting uit de laatste fase van de midden steentijd (omstreeks 5000 tot 4000 voor Chr.) en het begin van de daaropvolgende jonge steentijd (omstreeks 4500 tot 3500 voor Chr). Met andere woorden, de resten van de laatste jagers-verzamelaars (behorende tot de zgn. Swifterbantcultuur [1]) en de eerste boerengemeenschappen in de regio (de zgn. Michelsbergcultuur [2]).
Aangezien het hier niet om een wetenschappelijke opgraving ging, maar slechts om werfcontrole, gingen niet alleen zeer veel vondsten, maar ook heel wat archeologische informatie verloren. Wegens het uitzonderlijke belang van de ontdekking ijverde het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) - een wetenschappelijke instelling van de Vlaamse Overheid die de het archeologisch onderzoek in het kader van de Sigmawerken begeleidt - dan ook bij de opdrachtgever van de werken, Waterwegen en Zeekanaal (WenZ), voor verder onderzoek in de nabijheid van de vindplaats. WenZ, stemde toe om zowel ten noorden (WP1, zie foto rechtsboven) als ten zuiden (WP2, zie foto links) van de sluis een opgraving te financieren. Voor het onderzoek werd een samenwerking aangegaan met de Universiteit Gent, die op dit vlak zeer veel kennis bezit.
De opgraving ten noorden van de sluis (WP1) is net afgerond, maar de eigenlijke studie van het materiaal moet nog een aanvang nemen. De hier gepresenteerde resultaten moeten dan ook als voorlopig worden gezien. Wat hebben we nu gevonden? Het merendeel van de vondsten lijkt inderdaad toe te horen aan de Swifterbantcultuur. Op basis van het aangetroffen aardewerk mogen we aannemen dat het hier gaat om een vroege fase van deze cultuur. De vervaardiging van aardewerk is iets dat ze van de gelijktijdige boerengemeenschappen uit de omliggende leemstreken hebben overgenomen. Van het aardewerk van deze eerste boerengemeenschappen hebben we trouwens ook enkele resten teruggevonden; iets wat vrij uitzonderlijk is op dergelijke afstand van de leemstreek. Resten van de Michelsbergcultuur zijn eveneens aangetroffen, maar in iets kleinere aantallen. Hoewel deze mensen reeds aan landbouw deden is het momenteel niet duidelijk of ze naar Bazel zijn afgezakt om akkers aan te leggen of vee te weiden. Mogelijk kwamen ook zij, net als hun voorgangers, naar hier om aan jacht en visvangst te doen. Er zijn wel enkele verkoolde graankorrels aangetroffen, maar die hoeven niet op akkerbouw ter plaatse te wijzen. Ze kunnen het graan ook van elders hebben meegebracht. Botten van gedomesticeerde dieren zijn voorlopig nog niet gevonden. Tenslotte zijn er ook nog vondsten uit de vroegste fase van de midden steentijd (ca. 9500-7700 voor Chr.). Deze laten zich herkennen door de aanwezigheid van fragmenten van de pijlbewapening, meer specifiek kleine driehoekige stukjes vuursteen die als weerhaak op hun pijlen fungeerden. (Foto: een vuurstenen werktuig - Foto: Yves Perdaen)

Hoe wordt een dergelijke vindplaats nu opgegraven? De eerste fase van het onderzoek bestaat er in de bovengrond machinaal te verwijderen tot op het niveau waarop de eerste vondsten aan het licht kwamen. In het geval van WP1 is dit het contact tussen het veen en het onderliggende zand, op een aantal plaatsen echter is de basis van het veen een stuk kleiïger en treffen we hier reeds de eerste prehistorische vondsten aan. De volgende fase bestaat er in het opgravingsterrein onder te verdelen in vakjes van 0,5m op 0,5m. Elk van deze vakjes krijgt een uniek nummer. Nu pas gaat de eigenlijke opgraving van start. (zie foto hiernaast, Yves Perdaen aan het werk) Laagsgewijs (in laagjes van 5cm) wordt de grond per vakje verzameld in een plastic bak en deze gaat samen met een kaartje waarop het nummer van het vakje en het laagnummer staat naar de zeefstand naast de put . Daar wordt de grond gezeefd over mazen van 2mm (zie foto hieronder). Het zand en de klei spoelen weg en de archeologische resten blijven achter, samen met takken, twijgjes, wortels en ander grof materiaal. Deze resten gaan samen met het bijbehorende kaartje in een bakje en vertrekken aan het eind van de werkdag naar het archeologisch depot om te drogen. Dit proces herhaalt zich voor elk vakje tot er op een bepaalde diepte geen vondsten meer worden aangetroffen.
Hier stopt de opgraving. Na deze fase van het veldwerk volgt de vondstanalyse. Alle bakjes worden gecontroleerd op de aanwezigheid van botfragmentjes, aardewerkresten, stukjes vuursteen, enz. Al deze vondsten worden uit het zeefresidu uitgepikt en één voor één in de computer ingevoerd. Pas nadat alle vondsten zijn ingevoerd krijgen we pas een goed beeld van wat we tijdens het veldwerk hebben opgegraven. Pas dan weten we wat we hebben gevonden. Er rest ons met andere woorden nog heel wat werk.

Yves Perdaen


[1]: Swifterbantcultuur: daterend van 5300 tot 3400 v. Chr. het begin van het Neolithicum, genoemd naar het dorpje Swifterband in de Flevopolder in Nederland en gekenmerkt door keramiek met een typisch spitse vorm
[2]: Michelsbergcultuur: neolithische cultuur rond 4400 tot 3500 v.Chr. voorkomend in Zuid-nederland, West-Duitsland en België, genoemd naar de eerste vondst bij Untergombach in 1888, typisch aardewerk zijn de tulpbekers

Foto's: Veerle Heyman en Yves Perdaen